CV-Koers - november 2002 - recensie door TJ de R
Willem Ouweneel (1944) is een veelzijdig mens. Hij is een voorman van de Vergadering van Gelovigen, schrijver van talloze godsdienstige boeken en traktaatjes en als intellectueel is hij bezig met het duiden van de geschiedenis en met het voorspellen van de toekomst. In de afgelopen jaren publiceerde hij boeken over de geschiedenis van de mensheid, waarin hij lijnen aanwees die zouden samenhangen met bijbelse gegevens en profetieën. Ouweneel is beslist speculatief, maar van zijn gedocumenteerde uiteenzettingen gaat ook een fascinerende werking uit.
Onlangs verscheen van Ouweneels hand de roman Het Godsgetal. Hierin staat de toekomst van de wereld centraal, specifiek de wederkomst van Christus. Maar het gaat ook over de vraag hoe die verwachting kan leven bij mensen. Hoofdpersoon in dit boek is Edwin Achtel, die nauw betrokken is geweest bij de sektarische groep rond zijn vriend Winfried Kohn. De roman bestaat goeddeels uit een verslag van Edwins vriendschap met Winfried, dat Edwin schreef voor zijn psychiater. Edwin behandelt de periode voorafgaand aan de ongeveer anderhalf jaar dat de sekte actief was, maar vooral schenkt hij aandacht aan de sektejaren (2001-2002), met name voor de periode waarin het hele zaakje escaleerde (september 2002). Het verhaal komt kort gezegd hierop neer: Winfried heeft een bijzondere gave om getallensymboliek in de Bijbel te ontdekken. Zijn uitleg heeft een fascinerende werking op anderen, die hem hoe langer hoe meer gaan zien als leider. Op een gegeven moment heeft Winfried ontdekt dat in september 2002 Christus zal terugkeren. Hij geeft zijn volgelingen de opdracht hun baan op te zeggen en hun huizen te verkopen. De hele groep bivakkeert vanaf dat moment op een soort camping bij Maartensdijk. Winfrieds inzichten schrijden echter voort: zijn 'leer' wordt steeds joodser, men viert het loofhuttenfeest met takken en al, daar op dat veldje in Maartensdijk. Maar de sfeer wordt grimmiger en er vallen zelfs doden. Aan het slot vindt er een ramp plaats die de hele groep uit elkaar slingert, terug de gewone wereld in.
Dit boek van Ouweneel gaat door voor een roman en het is de vraag in hoeverre het als roman geslaagd is. Er staan ontzettend veel redeneringen in het boek, waardoor het soms meer weg heeft van een rekenkundig of exegetisch instructieboekje, dan van een roman. Toch zit er een psychologische ontwikkeling in het boek. De spanning tussen de verschillende personages en de groei naar totalitair leiderschap geeft het boek beslist meerwaarde en zelfs de allure van een roman. Ouweneel laat binnen de vormgeving van fictie zien dat sektarische uitleg van de Bijbel gedoemd is op een mislukking uit te lopen. Het is echter de vraag in hoeverre Ouweneel deze mislukking op rekening wil schrijven van de spitsvondige getallenexegese. Zou het exegetische gegoochel hem daarvoor niet veel te dierbaar zijn? (TjdR)
Reformatorisch Dagblad - 18-9-2002 - recensie door Rudy Ligtenberg
In 'Het Godsgetal' van dr. Willem Ouweneel berekent sekteleider Winfried Kohn aan de hand van bijbelse gegevens het -globale- tijdstip van Christus' wederkomst
Oordeelsdag in september 2002
Dr. Ouweneel worstelt in romanvorm met de wederkomst van Christus
Wanneer Jezus op aarde terugkomt, weet niemand. De dag en het uur zijn alleen bij God de Vader bekend. Maar geeft de Bijbel geen concrete aanwijzingen over het tijdstip van Christus' wederkomst? In de evangeliën, in de profetieën, in het boek Openbaring? De hoofdpersoon uit de roman 'Het Godsgetal' van dr. Willem J. Ouweneel combineert bijbelse gegevens tot een verbluffend nauwkeurige voorspelling.
'Het Godsgetal' bevat het verslag dat een zekere Edwin Achtel aan zijn psychotherapeut Olga de Vreugd heeft toegestuurd. Ouweneel heeft dit manuscript in handen gekregen en het, voorzien van het commentaar van Olga en een eigen voorwoord, uitgegeven.
Het verhaal draait om Edwins vriend Winfried Kohn, een intelligente, wat vreemde jongeman met een buitengewone belangstelling voor de wereld van de getallen. Cijfers en getallen weerspiegelen volgens hem goddelijke ordening. Wie ermee gaat stoeien, stuit voortdurend op wonderlijke eigenschappen van bepaalde getallen. Zo zouden 17 en 26 heel speciaal zijn: Godsgetallen. Dat heeft te maken met de getalswaarde die aan de letters van het alfabet (Latijns, Grieks, Hebreeuws)
wordt toegekend.
Via zijn wiskundige inzichten raakt Winfried meer en meer geïnteresseerd in de Bijbel, waarin getallen immers ook een belangrijke rol spelen. Hij ontpopt zich als een religieus leider en weet een schare volgelingen achter zich te krijgen. Edwin geeft kritisch tegengas, maar kan zich niet onttrekken aan zijn charisma.
Winfried laat zijn berekeningen los op alle mogelijke bijbelteksten en preekt erover. Op een dag, ergens in 2001, doet hij zijn grote ontdekking: met de getallen uit Daniël 12 (1290 en 1335 dagen) becijfert hij ongeveer het tijdstip van Christus' wederkomst. Die zou in het najaar van 2002 plaatshebben.
Waanzin
Bij zijn boerderij in Maartensdijk verzamelt Winfried nu zijn aanhang om zich heen. In tenten en caravans wachten ze de grote dag af. In deze tijd maakt Winfried een ontwikkeling in negatieve zin door. Meer en meer wordt hij de sekteleider die zijn volgelingen in een ijzeren greep houdt en geen tegenspraak duldt. De waanzin slaat toe en uiteindelijk blijkt alles zinsbegoocheling te zijn geweest. Op een gruwelijke manier komt er ten slotte een einde aan het bizarre kamp bij Maartensdijk.
Op het eerste gezicht lijkt 'Het Godsgetal' een ferme waarschuwing tegen het gevaar van hypergodsdienstige sektelijders en tegen het goochelen met (bijbelse) getallen. Ouweneel neemt zelfs in fysieke zin afstand van de beschreven gebeurtenissen: tussen Winfried en zichzelf plaatst hij maar liefst twee mensen: Edwin en Olga. Hij heeft het verhaal slechts uit de derde hand.
Het lijdt echter geen twijfel dat Ouweneel zelf buitengewoon geboeid is door de wonderlijke getallenwereld. Hij weet er verbijsterend veel van af en Winfried is in zekere zin zijn alter ego. Probeert Ouweneel zichzelf tot de orde te roepen met deze roman? Wil hij laten zien hoe gemakkelijk bijbelgetrouwe christenen tot excessen komen en zo zichzelf en anderen waarschuwen? Wellicht. Maar is dat de 'duidelijke boodschap van het boek' die de lezer volgens Ouweneel kan oppakken?
Metahistorie
We kennen Ouweneel als een historicus die achter het wereldgebeuren graag zoekt naar de hand van God. Geschiedenis is voor hem vooral metahistorie: gewone, aardse gebeurtenissen maken deel uit van Gods plan met de wereld. Daarom herinterpreteert Ouweneel de geschiedenis en laat hij licht vallen op jaartallen en gebeurtenissen die historici onbetekenend vinden, maar die in zijn optiek diepere, goddelijke verbanden blootleggen.
Het jaar 586 voor Chr. is voor Ouweneel bijvoorbeeld erg belangrijk. De verwoesting van de tempel in Jeruzalem in dat jaar betekende het einde van de 'Sjechina', van het wonen van God op aarde. Op dat moment trok Hij zich terug in de hemel en nam de mens op aarde het leven in eigen handen. Vandaar, zo meent Ouweneel, het ontstaan van zelfverlossingsreligies als het boeddhisme en het confucianisme. Zie hiervoor zijn boek 'De zesde kanteling'.
Deze opvatting komen we ook tegen in 'Het Godsgetal' bij Winfried. Hij spreekt van 'de geweldige wereldwijde betekenis van dat jaar 586 voor Christus.' Op grond van Daniël 12 berekent hij vervolgens het tijdstip van Christus' wederkomst.
Griezelig
Opvallend is dat juist deze berekening niets te maken heeft met het getallengegoochel waarmee Winfried verder tot vervelens toe bezig is. Het griezelige is dat de redenering van Winfried bijbels en metahistorisch gezien heel overtuigend is. Maar waarom maakt Ouweneel niet duidelijk dat Winfried hier exegetisch de plank misslaat? Waar blijven de tegenargumenten? Het enkele feit dat het met Winfried uiteindelijk helemaal verkeerd afloopt, legt niet voldoende gewicht in de schaal.
Het zal toch niet zo zijn dat Ouweneel probeert onder de dekmantel van een roman het tijdstip van Christus' komst te voorspellen? En dat hij dat niet openlijk durft zeggen, om zich de schande die het Efraïmgenootschap en prof. F.W. Rutten ten deel viel te besparen wanneer zou blijken dat hij de plank missloeg? Het feit dat Ouweneel kiest voor een seculiere uitgever als Aspekt versterkt de argwaan. Hij hoeft de 'wereld' toch niet zo nodig te waarschuwen voor mensen die aan godsdienstwaan lijden?
Blijft staan dat de Bijbel vol zit met betekenisvolle getallen. In Openbaring klinkt zelfs een oproep tot rekenen: 'Hier is de wijsheid: Die verstand heeft, rekene het getal van het beest; want het is een getal eens mensen, en zijn getal is zeshonderdzesenzestig.'
De vraag of de jongste dag zich laat berekenen, is echter niet zinvol. Christus Zelf zei dat niemand de dag en het uur van Zijn wederkomst kent, behalve de Vader. Belangrijk is het evenmin om te weten wanneer Christus terugkeert. In de eerste plaats kan aan elk menselijk leven plotseling een einde komen. Uitrekenen wanneer de oordeelsdag is, is even nuttig als de dag van onze dood proberen te achterhalen. Daarbij komt dat het leven op aarde tot stilstand zal komen wanneer mensen daadwerkelijk geloven dat de datum van het einde bekend is. Luther mag dan gezegd hebben dat hij nog een boom zou planten wanneer hij wist dat morgen de wereld zou vergaan, het merendeel van de mensheid zal vermoedelijk reageren als de verdwaalde en misleide kudde in Ouweneels boek: het zal werkeloos en apathisch wachten op de wederkomst.
Elk uur
Voor de gelovigen geldt daarentegen dat zij Christus elke dag en elk uur met groot verlangen tegemoet zien. Het is jammer dat Ouweneel dat aspect niet met veel meer kracht voor het voetlicht brengt.
Nederlands Dagblad - zaterdag 20 juli 2002 - recensie door Rien van den Berg
De Jongste Dag was aanstaand najaar
De hoofdpersoon in de roman Het Godsgetal van Willem Ouweneel is een zeer intelligente man, iemand met het vermogen zich snel en grondig in te lezen, en uit wat hij leest duizelingwekkende conclusies te trekken. Een man die het vermogen heeft om mensen aan zich te binden, te verpletteren met inzichten, en geniet van de erkenning die hij zich daarmee verschaft, als leider.
Willem Ouweneel is een zeer intelligente man (gepromoveerd in de biologie, de filosofie en de theologie), iemand met het vermogen zich snel en grondig in te lezen, en uit wat hij leest duizelingwekkende conclusies te trekken. Een man die het vermogen heeft om mensen aan zich te binden en die, bekende hij in een interview in deze krant, geniet van de erkenning die hij zich daarmee verschaft.
De hoofdpersoon in de roman Het Godsgetal glijdt op de meest gruwelijke wijze uit over zijn eigen intellect. Hij wordt gaandeweg een sekteleider die letterlijk over lijken gaat. Willem Ouweneel vertelde in hetzelfde interview dat hij in zijn tomeloze ambitie gebroken is - door God. Het is verleidelijk om deze roman te lezen als Ouweneels nachtmerrie voor wat er zonder die breuk gebeurd zou kunnen zijn. Schrijvers doen dat vaker. Désanne van Brederode zegt ergens dat ze haar personages voor zich uitstuurt op het pad der zonde, dat ze de romanfiguren laat uitglijden, zodat ze met de gevolgen van hun zonde geconfronteerd worden - en zodat de schrijfster in haar eigen leven bepaalde fouten niet maakt, omdat ze in haar romanfiguren heeft gezien wat de vreselijke consequenties zijn.
Het lijkt me wijs deze verleiding te weerstaan, al was het maar om niet tot kouwegrondpsychologie te vervallen. Als Winfried K. een alter ego is, moet Ouweneel zelf daarmee maar op de proppen komen.
Anti-Bijbel
De roman an sich dus maar. Ouweneel schreef er al eerder een, De kleine kudde, een historische roman over de vervolging van de hugenoten. Het Godsgetal is het tegenovergestelde van een historische roman: hij speelt in de toekomst. Willem Ouweneel presenteert zich als de bezorger van een manuscript van een psychologe, die op haar beurt weer de memoires van een sektelid wilde bezorgen. Dat sektelid, Edwin, de boezemvriend van sekteleider Winfried, voltooide zijn memoires in november 2003, een paar dagen voor zijn plotselinge overlijden (een ongeluk?). Zijn psychologe, door Ouweneel verstopt achter de schuilnaam Olga de Vreugd, schreef haar voor- en naschrift bij de memoires in maart 2004.
Ouweneel heeft het boek weer van haar gekregen, vertelt hij in het voorwoord. Als we de productietijd van een roman (van uitgever naar drukker naar boekhandel) op vier maanden zetten, ligt de verschijningsdatum van Het Godsgetal dus in de nazomer van het jaar 2004. Over twee jaar dus. Laten we zeggen dat we mooi op tijd zijn met de recensie. Die goocheltruc met tijdlagen en overleveringen haalt Ouweneel niet voor niks uit. Die doorvertelling geeft het boek een Bijbelse dimensie. Het doet denken aan wat Paulus schrijft: 'Want zelf heb ik bij overlevering ontvangen wat ik u weer overgeleverd heb, namelijk...' Alleen heeft Paulus het hier over iets waarvan hij rotsvast overtuigd is. Ed win aarzelt bij het overleveren, De Vreugd twijfelt aan de inzichten van Edwin, en Ouweneel op zijn beurt roept zijn lezers op de inzichten van De Vreugd te wantrouwen. Het boek wordt daarmee een soort anti-Bijbel, en Winfried een anti-Messias.
Ook het spel met de tijdlagen is belangrijker dan je eerst denkt. De tijd lijkt van een ijzeren onaantastbaarheid, maar in de literatuur is tijd een zeer manipuleerbaar gegeven. Een schrijver kan bijvoorbeeld zijn eigen dood beschrijven. De zin 'Drie dagen na mijn begrafenis stond mijn moordenaar bij mijn graf is naar de maatstaf van de werkelijkheid belachelijk, maar in een roman is het slechts een kwestie van vertelperspectief. Ouweneel schrijft in 2001 en 2002 een boek dat hij volgens de tekst van het boek pas in maart 2004 schrijft.
Die manipuleerbaarheid van de tijd is het hart van het boek. Winfried K. is een briljante man, die een zeldzaam gevoel voor getallen heeft. Hij speelt met de meest ingewikkelde rekensommen. Dan gaat hij ineens met de Bijbel aan de haal. Uiteindelijk berekent hij de dag van de wederkomst. Het najaar van 2002 moet dat geschieden, ontdekt hij in het voorjaar van 2001. Ook uit de Bijbel berekent hij dat er een jaar voor de wederkomst een groot teken zal worden gezien, dat onmiskenbaar op de wederkomst duidt. Op 11 september 2001 kan hij niet anders dan de waarheid van zijn eigen berekeningen inzien. Hij sticht een geloofsgemeenschap die op boerderij De Barnebeek de Dag des Oordeels afwacht.
Onvoldoende aandacht
Er is op deze roman van alles aan te merken. Uitgeverij Aspekt moet zich werkelijk rot schamen. Waar is de voormalige kwaliteitsuitgever Martin Ros gebleven? De omslagillustratie slaat nergens op. Het boek staat vol met stijl- en typfouten, met zinnen die letterlijk uit het Grote Boek van Streekromanclichés komen ('Er was een snik in mijn hart, terwijl ik schaterde met Wijnanda', 'Zo wandelde ik de bewolkte zomeravond in, terwijl er een dik wolkendek over mijn eigen hart lag').
Zoals gezegd: Ouweneel is een slimme man. Hij is ook een slimme schrijver. Hij laat Edwin ergens schrijven dat hij besloten heeft om niks van wat hij geschreven heeft te schrappen -alsof zijn boek currente calamo, voor de vuist weg is opgeschreven. Het is alsof Ouweneel zichzelf en zijn uitgever daarmee een excuus verschaft, een zomeravondsmoes om allerlei stilistisch onkruid niet te wieden.
Zo doet hij het ook met de berekeningen. Olga de Vreugd tekent bij het manuscript van Edwin aan dat de laatste geen groot wiskundige is, en dat er in zijn weergave van de berekeningen van Winfried K. dus wel eens wat foutjes geslopen kunnen zijn. Ook dat lijkt een flauwe uitvlucht, een excuus voor een boek waaraan domweg onvoldoende aandacht besteed is. Dat Winfried, de geniale wiskundige Winfried, een rekenmachine nodig zou hebben om de eerste zes cijfers achter de komma van het getal pi te berekenen, is een ongeloofwaardigheid van de eerste orde - op tal van dergelijke punten heeft het boek een incapabele redactie gehad.
Maar behalve irritatie wekt het boek ook bewondering. Want als analyse van het sektarische denken is het overtuigend. Subtiel wordt de uiteindelijke catastrofe aangekondigd in opmerkingen als dat Edwin erop leerde te vertrouwen dat Winfried gelijk heeft met zijn rekensommen - en ze dus niet meer narekent. Dat hoeft op dat moment nog geen argwaan te wekken, omdat Winfried dan nog volstrekt integer is, en zijn conclusies nog lang niet zo vergaand, maar achteraf zie je dat Edwin daarmee de overtuigingskracht van Winfried tussen hemzelf en de Bijbel schuift. Hij heeft de verantwoordelijkheid voor zijn denken in handen van Winfried gelegd.
Op dezelfde manier meldt de schrijver haast tussen neus en lippen door dat de berekeningen van Winfried niet zo wiskundig en zuiver zijn als ze lijken. De uitkomst ervan is beïnvloedbaar. Eerst ogenschijnlijk legitiem (als Winfried zich meer op het jodendom gaat richten, ontdekt hij nieuwe samenhangen), later hangt de uitkomst van de rekensommen af van zijn luimen, en ten slotte ronduit van zijn slechte bedoelingen. Toch - waarschijnlijk omdat niemand dan nog narekent of nadenkt - blijft iedereen geloven.
Wat Ouweneel goed doet, is dat hij allerlei vragen die zijn christelijke lezers ongetwijfeld hebben, maar gewoon in het midden laat. Wie in een sekte kruipt om de jongste Dag af te wachten, slaat namelijk een paar vragen over. Bijvoorbeeld of het überhaupt mogelijk is om in die dingen een blik te slaan. En zo ja: wat zo'n datum dan betekent voor je leven. Volgens Luther betekende het hoegenaamd niets. Waarom gingen die mensen niet vol vertrouwen gewoon door met appelboompjes planten? Juist doordat Ouweneel deze vragen niet aan de orde stelt, zit je met stijgende verbazing te lezen. Waarschijnlijk werkt dat ook zo: dat mensen onder invloed van een sterke, charismatische leider snel geneigd zijn allerlei logische vragen over te slaan. Dat maakt het juist zo eng.
Winfried heeft een dochter, die hij Wijnanda noemde. Alleen al in die namen gaat de afloop schuil. Winfried betekent 'vriend van de vrede', Wijnanda betekent 'dapper in de strijd'. Winfried wordt een sekteleider die het Ieven van zijn volgelingen minacht. Een moordenaar dus, uiteindelijk de moordenaar van zijn eigen dochter, en van zichzelf. Het zicht op de vrede ging in de strijd verloren.